Dirigent met scherpe tong

Forum:
Sebastiaan do, 30/04/2009 - 14:54 Dirigent met scherpe tong

Vandaag op de scheurkalender:

Dirigent met scherpe tong
Sir Thomas Beecham werd 130 jaar geleden geboren (1879) in het En-
gelse St. Helens. Op muzikaal gebied was hij een complete autodidact,
maar hij groeide wel uit tot een van de invloedrijkste dirigenten die
Groot-Brittanië heeft gekend. Hij stond voor veel beroemde orkesten
over de hele wereld en maakte ook talrijke plaatopnamen. Ook richtte
hij zelf een aantal orkesten op, waaronder The London Philharmonic
Orchestra
(1932) en The Royal Philharmonic Orchestra (1946).

Naast al zijn muzikale verdiensten verwierf Beecham ook grote faam
door zijn scherpe tong. Een greep uit de vele oneliners die hem niet al-
tijd in dank werden afgenomen:

  • Tijdens een repetitie voor een symfonie van Haydn stopte hij al na
    een paar delen met de opmerking: 'Ik geloof niet dat we verder hoe-
    ven te gaan want we kennen dit werk toch allemaal, nietwaar?' Een
    cellist antwoorde dat hij het stuk nog nooit gehoord had, waarop
    Beecham direct riposteerde: 'Nou, kom dan vanavond naar het op-
    treden; ik weet zeker dat u het goed zult vinden.'
  • 'Brassbands hebben hun eigen plaats... buiten en zover mogelijk weg.'
  • 'Een musicoloog is een man die muziek kan lezen, maar die niet kan
    luisteren.'
  • 'Het probleem met vrouwen in een orkest is dat zij mijn orkestleden
    in de war brengen als ze mooi zijn en mij als ze dat niet zijn.
  • Tegen een celliste die tijdens een repetitie niet aan zijn verwachtingen
    voldeed: 'Mevrouw, u hebt daar tussen uw benen een instrument
    waarmee u duizenden plezier kunt bezorgen en alles wat u doet is er
    aan krabben.'

Enige gelijkenissen met de realiteit zijn puur toeval. Wink


Marc Sierens ma, 04/05/2009 - 10:57

Hahahaha, verplichte lectuur voor alle leden.
Ik hoor dikwijls dat ik nogal ongezouten uit de hoek kan komen, sommigen gewagen zelfs van shockerend - mijn verdediging is dan te melden dat dit enkel zo kan ervaren worden door zuurpruimen, kneusjes of andere kasplantjes -, evenwel kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de cellistes in bovenstaand geval verre van gelukkig zullen geweest zijn. De andere geviseerden trouwens ook niet. Maar dat het goed gevonden is is al even duidelijk.


Lore di, 05/05/2009 - 11:44

Thx Sebastiaan, als de celli(stes) van Akademos nu eens even niet aan de verwachtingen voldoen, zal iedereen aan bovenstaande uitspraak gaan denken ...
Gelukkig hoor ik niet bij de kasplantjes en zuurpruimen en kan ik best wat kritiek verdragen Wink


michel (vanuit het Hades) (niet geverifierd) do, 14/05/2009 - 23:35

Die Beecham lijkt me toch maar een amateuristisch muzikaal pooierke (hahahaha); ik kan hem zo precies niet echt pruimen, vanwege te zuur : heeft duidelijk geen flauw benul wat 'authenticiteit' kan betekenen : hij zou die musicologen enigszins anders inschatten ; ik hoed me alleszins voor zijn Haydns ; maar zo weet ik tenminste wat zoeken bij mijn volgend bezoekje aan de bib. (kwestie van me wat beter te informeren ..) Nog retro-romantische tips ?


michel (vanuit het Hades) (niet geverifierd) vr, 15/05/2009 - 21:21

prachtig Beecham-portret op Wikipedia :

http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/e/ef/Beecham_emu_1910.jpg

grt


ann di, 19/05/2009 - 11:59

Sebastiaan, je brengt mij op ideeën voor de inleiding op 6 juni...


Sebastiaan di, 19/05/2009 - 13:34

Oh daar ben ik al erg benieuwd naar! Smile


michel (oude klarinet -fan) (niet geverifierd) di, 19/05/2009 - 19:45

Hier nog wat ideeën :

"
Dirigenten die zich met het oppoetsen van het barokke en klassieke repertoire zo verdienstelijk hadden gemaakt en daarvoor ook uitbundig werden gelauwerd (volle zalen, vele prijzen) trokken uit die kruisbestuiving nog verdere consequenties door zich eveneens aan het puur romantische repertoire te wijden. Zo kwam bijvoorbeeld Harnoncourt met zijn visie op Bruckner en waagde Gardiner de overstap naar onder anderen Brahms, Berlioz en Fauré.

Maar het was natuurlijk niet alleen maar goud wat er klonk. Vele opnamen uit de jaren zestig en zeventig getuigen nog van de matige beheersing van het authentieke instrumentarium, wat menigmaal tot forse ontsporingen leidde, soms nog verhevigd door voortdurend extreme tempi onder het juk van de metronoomcijfers. De muziektrein denderde dan onbarmhartig voort om uiteindelijk in het luchtledige zijn bestemming te vinden.

De toevoeging op het cd-hoesje ‘gespeeld op authentieke instrumenten’ was dus niet op voorhand een aanbeveling, en het duurde geruime tijd alvorens het bij het grote publiek goed doordrong dat verpakking en inhoud twee verschillende zaken waren.

De coryfeeën van toen

Zeker diegenen die inmiddels in het zicht van VUT of prepensioen zijn gekomen zijn opgegroeid met de vertolkingen door de coryfeeën van weleer, de grote namen waarop het merendeel van menige nog steeds gekoesterde platenverzameling is gegrondvest. Zo heeft iedere generatie zijn eigen helden en curiosa! Maar misschien is het breukvlak tussen toen en nu nooit zo groot geweest en zal juist daardoor de verwarring zijn toegeslagen. Dat er interpretatieverschillen zijn? Best, maar dat met de komst van de historiserende praktijk de kloof tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ zo onbarmhartig diep is geworden, daar staat het verstand toch bij stil?

De uitvoeringen door historiserende nieuwlichters als Harnoncourt, Brüggen, Gardiner, Koopman, Norrington, Parrott, Rifkin, Hogwood, maar ook Wenzinger lijken in niets meer op de stijl van hun illustere voorgangers als Klemperer, Furtwängler, Walter, Karajan, Beecham, Reiner, Monteux, Munch, Jochum en Richter. En vergeleken met bijvoorbeeld Mengelberg is de stijlbreuk zelfs nog aanzienlijk groter. Bondig uitgedrukt is een Haydn-symfonie onder Harnoncourt een geheel ander werk dan onder Furtwängler. Maar ook de verschillen met hedendaagse dirigenten als Haitink, Maazel, Marriner of Masur zijn substantieel.

Het ligt voor de hand om het midden van de jaren zestig, toen de historiserende praktijk zich aandiende, als breukvlak te beschouwen tussen de ‘oude’ en ‘nieuwe’ vertolkingsstijl. De oude stijl vertegenwoordigt dan de vrije wijze van muziek maken, een soort ad libitum benadering die tot grote expressieve hoogten kon stijgen en ten diepste wist te ontroeren, maar per saldo niet veel acht sloeg op het historische perspectief van die muziek, zoals zij in lang vervlogen tijden was ontstaan en vervolgens uitgevoerd. Dat perspectief was ondergeschikt aan de puur individuele visie van dirigent of solist op het notenbeeld pur sang, niets meer en niets minder. De vraag was niet hoe de componist het bedoeld had, of de voorhanden partituur nu wel of niet het (enig) juiste uitgangspunt was, maar op welke wijze de dwingende kracht van de eigen visie op het orkestapparaat en vervolgens op het publiek kon worden overgebracht. Voor sprekende voorbeelden hoeft niet ver te worden gezocht: de Beethoven-symfonieën onder Mengelberg, Toscanini, Walter en Furtwängler maken al op slag duidelijk dat er sprake is van dusdanig grote verschillen dat hij soms wel ándere muziek lijkt. Een willekeurig ander voorbeeld zijn de Bruckner-symfonieën – los van de gekozen editie - onder Van Beinum en Furtwängler: groter kunnen de verschillen toch niet zijn.

Hedendaagse ‘conventionele’ dirigenten als Haitink, Masur, Marriner, Slatkin, Gielen, De Waart en Marriner vonden de aansluiting bij de historiserende muziekpraktijk niet of slechts ten dele. Het leek buiten hun praktiserende interessegebied te vallen en dus deden ze ook geen substantiële ervaring op met authentieke ensembles. Daarnaast hielden ze zich niet merkbaar bezig met musicologisch bronnenonderzoek, een uitzondering (zoals Claudio Abbado) daargelaten.

Oud en nieuw

Wie de door Willem Mengelberg voor zijn vertolkingen gebruikte partituren onder de loep neemt, ziet dat zich daarin een ware veldslag heeft afgespeeld, met talloze aantekeningen, aanwijzingen, markeringstekens, dynamische accenten en wat al niet meer, een ware zee in blauw en rood. Het is het werkveld van de dirigent die werkelijk niets aan het toeval wenst over te laten en ieder detail eerst in zijn hoofd heeft beproefd alvorens met het orkest aan het werk te gaan. Nog fascinerender wordt het als die aantekeningen vervolgens worden getoetst aan de uitvoering zelf en dus de consequenties van al die notities ondanks de vaak gebrekkige opnametechniek daadwerkelijk gaan ‘leven’.

Mengelberg was dus een zeer consciëntieuze dirigent, maar zijn Werktreue zat zeker niet in het gebruik van op gedegen musicologisch onderzoek gestoelde partituren, want die ontwikkeling kwam pas veel later, in de jaren zestig van de vorige eeuw. Nee, men musiceerde vanuit volstrekt verouderde orkestpartijen en niemand die er wakker van lag. Terwijl de meeste dirigenten er bovendien geen moeite mee hadden om – zoals in de Beethoven-symfonieën – een ware waslijst met ‘verbeteringen’ aan te brengen. Felix von Weingartner schreef er een alleraardigst ‘instructieboek’ over.

Afstoffen?
De hang naar (ook vermeende) authenticiteit in het historiserende kamp heeft enerzijds de nodige verrassingen bereid en anderzijds een fundamentele heroriëntatie in gang gezet. Harnoncourts boeken Die Musik als Klangrede en Der musikalische Dialog hadden grote invloed op zowel de wijze waarop naar het muzikale verleden werd omgezien als de gevolgen die daaraan verbonden dienden te worden. Er ontstond een nieuwe speelcultuur en het musicologische bronnenonderzoek raakte in een stroomversnelling.

De échte ‘revolutie’ kwam voort uit een nieuwe benadering van het bestaande – door musicologisch onderzoek waar nodig bijgestelde - notenbeeld, maar nu, en dat is echt essentieel, met een scherp oog voor de historische context van die muziek. Het is ook op dit terrein dat het muziekwetenschappelijke onderzoek in de laatste veertig jaar zijn rijpste en belangrijkste vruchten heeft afgeworpen. Daarom klinken de ‘gouden meesterwerken van weleer’ vanuit die historiserende benadering nu zo anders dan in de vertolkingen van de coryfeeën van weleer, met grote namen als Furtwängler, Walter, Klemperer, Schuricht, Mengelberg, Beecham, Leinsdorf of Ansermet. Als Mahler echt ooit heeft gezegd: “Tradition ist Schlamperei,” dan is de volle betekenis van die uitspraak ook hierin te vinden, dat de vertolkingskunst in brede zin en muziek überhaupt een generatiekunst is en dat iedere generatie zijn eigen ‘helden’ en waarheden voortbrengt. Maar nog niet eerder in de geschiedenis is er sprake geweest van een zo sterke verbondenheid tussen vertolkers en onderzoekers, tussen musici en musicologen, met de muziekuitgeverijen daarbij als onmisbare trait-d’union.

"


michel (de ex) (niet geverifierd) di, 19/05/2009 - 19:52

.. en die bijkomende ideetjes kwamen uit :
http://www.opusklassiek.nl/cd-recensies/cd-aw/bach02.htm

Tja, hoe meer ideetjes, stijlbreuken en zienswijzen, hoe meer muzikaal leven in de brouwerij !

over&out


Marc Sierens wo, 20/05/2009 - 23:39

Michel, zeg gewoon dat je weer een volwaardig lid wil worden, dat je Akademos eigenlijk vreselijk mist, dat het leven zonder Akademos geen zin heeft, dat Aalst geen volwaardig alternatief is - wat ik volledig begrijp -, dat het volgende concert zonder jou moeilijk om dragen is, kortom, dat Akademos zich simpelweg in je leven genesteld heeft. Kom terug en herbeleef momenten die je  nergens anders kunt beleven.  


michel (dezelfde) (niet geverifierd) vr, 22/05/2009 - 17:20

Naast Martine, en op de schoot van Nausikaä ? JAAAAA …!!
..
Geachte Mev Martens, wees AUB niet in het minst geïntimideerd. Heb wat geduld met Marc’s charmant retro-romantisch temperament op zijn Beechams. Overigens : het Elysion in dit Hades is zo kwaad nog niet (wederom met dank aan die overheerlijke wikipedia : precies mijn maat ..), en gewagen dat ‘aalst’ geen ‘volwaardig’ alternatief is, lijkt me een tikkeltje gevaarlijk, want dan voel ik me toch wat uitgedaagd om te gaan spelen met criteria .. tja, tot groot vermaak van die collega’s dirigent-hoboïsten, neem ik aan... Maar ik beken : puresang was de Akademos-tuin meer dan 1 moment de muzikale hemel op aard ..!