Pianoconcerto nr. 3 in C


Componist: 

Het derde pianoconcerto van Prokofiev heeft een lange ontstaansgeschiedenis.
Begonnen in 1913 als een reeks variaties maar die hij niet verder uitwerkte. In 1916 – 1917 herwerkte hij de schetsen maar liet ook deze onafgewerkt liggen. Pas in 1921 kreeg het werk vaste vorm. De creatie had plaats in Chicago op 16 december 1921 met Prokofiev aan de piano en The Chicago Symphony Orchestra onder leiding van Frederick Stock. Het kende een ogenblikkelijk succes, althans in Chicago want de première in New York werd veel minder enthousiast onthaald.
Sindsdien is het derde concerto het meest uitgevoerde concerto van de vijf pianoconcerten.

Prokofiev was zelf een meer dan begenadigd pianist maar in tegenstelling met die andere pianovirtuozen Chopin en Liszt – die de piano ook op meer dan normale manier wisten te beroeren – was hij ook een volbloed symfonicus.
Chopin en Liszt waren beiden het typevoorbeeld van de romantische componist die er een orkest bij sleurden om het toch maar als concerto verkocht te krijgen. Van beiden was Liszt de ergste.
Bij wijze van boutade kun je zeggen dat het wel enige tijd zou duren alvorens het publiek merkt dat er geen orkest bij zit.
Bij Prokofiev is dat helemaal anders en daarin volgt hij in de voetsporen van componisten die echte pianoconcerti geschreven hebben: Mozart, Beethoven, Brahms, Ravel, …
Bij hem is het orkest geen zielloze begeleider. Overigens zijn concerti met obligaat begeleiding geen uitsluitend product van de romantische periode, Haydn heeft zich er ook aan bezondigd en met hem nog een paar componisten die medelijden met de eenzame pianist hadden en er dan maar een orkest bij zetten. Hadden ze dit maar gelaten.

Prokofiev dus is van een totaal ander kaliber; hier krijgt het orkest een prominente plaats en stem en weet zich op gelijk niveau met de pianist. De symbiose tussen solist en orkest is nagenoeg perfect.

Het eerste deel is in sonatevorm. Naast de thema’s verschijnen ook enkel motieven die een groot belang krijgen in de verdere verwerking van dit deel.
Alles begint met het eerste thema. En daar moet toch wel even bij stil gestaan worden.
Vanaf de eerste noot verschijnt het bij de solo-klarinet, even later bijgestaan door de tweede klarinet. Dit is een wonderbaarlijk thema; enkel twee klarinetten en verder niets, maar de intensiteit en schoonheid is overrompelend. Hier staat geen noot teveel, het is van een grote eenvoud maar met een maximum aan lyriek. Voor dit thema alleen al zou je klarinet studeren. Onwerelds.
Het eerste thema wordt overgenomen door de rest van het orkest maar spoedig onderbroken door een eerste motief dat het lyrische karakter volledig omgooit en leidt naar een tweede motief dat aangezet wordt door de piano. Merkwaardig is dat de piano niet begint met het eerste thema en dit thema pas zal spelen bij het begin van de doorwerking. In de klassieke periode zou dit totaal ondenkbaar zijn.
Ook het tweede thema is eerst voor het orkest, meer bepaald voor hobo en strijkers en overgenomen door de piano. Let op het subtiel aanwenden van de castagnetten die net als het andere slagwerk zeer aanwezig zijn in gans het werk.
Het derde motief – een dalende chromatische beweging bij de strijkers en ondersteund door zeer virtuoze triolen bij de piano – leidt de afsluiting van de expositie in.

De doorwerking en de re-expositie zijn met elkaar versmolten.
Bij het begin van de doorwerking klinkt het eerste thema weer en nu voor de eerste maal ook bij de piano; in stretto en in dialoog met de blazers. De overige drie motieven komen afwisselend alleen of in combinatie met elkaar voor.

De coda is een opzwepend herhalen van het eerste motief.

Het tweede deel is een thema met vijf variaties. Ook hier een veelheid aan sfeer en orkestratie; van kamermuziek tot scanderend herhalen.
De modale afsluiting van bijna elke variatie is een herkenningspunt voor het einde van de variatie.
Het coda is het thema in ontdubbeld tempo met daaronder virtuoze akkoorden van de piano.

Het derde deel is volgens Prokofiev ‘een argument tussen piano en orkest’. En dit is ook letterlijk te nemen. Een burlesk thema wordt voorgesteld door fagot. Dit thema wordt aangewend als een soort ritornel. Het tweede thema wordt verdeeld tussen piano en strijkers en doet wat denken aan de hoquetus techniek uit de 12de – 13de eeuw. Deze techniek bestaat erin dat de noten van één thema verdeeld worden over verschillende stemmen. Het verloop van de melodie is vloeiend maar elke stem speelt als het ware op ‘hikkende’ wijze. Beide thema’s worden vrij bewerkt.
Het tempo vertraagt en brengt ons naar een contrasterend middendeel dat weer uit twee thema’s bestaat die ook vrij bewerkt worden. Na de terugkeer van het oorspronkelijke tempo en de daarbij horende thema’s wordt het werk afgesloten met een 28 maten lang aangehouden ritmische cel.

Prokofiev is zonder enige twijfel een gigant uit de muziekgeschiedenis. Hij heeft een grote invloed gehad op de evolutie van veel genres. Vandaag wordt dit bewezen met dit schitterende concerto. Na de première zei één criticus dat dit het mooiste hedendaagse concerto ooit was. Zelfs nu spreekt niemand hem tegen.

Marc Sierens

© Akademos